Spaans : Nederlands conducir = autorijden casarse = trouwen el piloto = de coureur nací = ik ben geboren llamado = genaamd subirse = instappen conseguí = ik bereikte el campeonato = het kampioenschap la categoría = de categorie la temporada = het seizoen máximo = hoogste el motociclismo = de motorsport gané = ik won más adelante = later volví a conseguir = ik behaalde opnieuw dio = hij gaf tenía = hij had empezó = hij begon consiguió = hij behaalde ganó = hij won compartir = delen