Spaans : Nederlands acabar = afmaken comprometerse = zich verloven cancelar = afblazen musical = muzikaal el canto = de zang pagado = betaald la venta = de verkoop el cedé = de cd la boda = de bruiloft la celebración = de viering losgemelos = de tweeling la relación = de relatie la carrera = de carrière en la actualidad = tegenwoordig el diseñador = de ontwerper el desfile de moda = de modeshow infantil = kinder- conceder = toekennen el Óscar = de Oscar anoche = vannacht breve = kort