Spaans : Nederlands el libro de texto = het tekstboek el trimestre = het trimester la escuela infantil = de kleuterschool el periodo = de periode la prueba = de toets el conocimiento = de kennis escrito = schriftelijk oral = mondeling la punta = de punt la primaria = de basisschool el gimnasio = de gymnastiekzaal el laboratorio = het scheikundelokaal el aula = het klaslokaal el taller de tecnología = de practicumruimte el taller = de werkplaats la cafetería = de kantine el patio = het schoolplein el salón de actos = de aula la secretaría = het secretariaat la sala de profesores = de lerarenkamer dar clase = les volgen la conferencia = de presentatie / de lezing el millón = het miljoen desde pequeño = van kleins af aan pequeño = klein según = volgens indio = Indiaas la religión = godsdienst menor de = jonger dan la guardería = het kinderdagverblijf crecer = groeien la agricultura = landbouw cambiar = veranderen el gobierno = de regering construir = bouwen la imagen = de afbeelding