Spaans : Nederlands reutilizar = hergebruiken tirar = weggooien encender = aansteken malgastar = verspillen la campaña = de campagne ecologista = voor het milieu el grifo = de kraan el diente = de tand salir = verlaten el monte = de berg el desperdicio = het afval defender = opkomen voor alterar = verstoren la pureza = de zuiverheid el gasto = het verbruik desconectar = uitschakelen el circuito eléctrico / la electricidad = de elektriciteit eléctrico = elektrisch inútil = overbodig el medioambiente = het milieu aumentar = toenemen el hogar = het huis el gas = het gas el congelador = de koelkast la olla a presión = de snelkookpan la olla = de pan la presión = de druk el microondas = de magnetron el grado = de graad la lavadora = de wasmachine la bombilla = de gloeilamp el modo de espera = de wachtstand el modo = de manier la espera = het wachten el grito = de kreet expulsar = wegsturen