Spaans : Nederlands la herencia = de erfenis la fortuna = het fortuin asesinar = vermoorden el pariente = het familielid la riqueza = de rijkdom el empleado = de werknemer la empleada = de werkneemster estar ansioso por = reikhalzend uitkijken naar el testamento = het testament fabuloso = ongelooflijk plantar = planten la rosa = de roos el peluquero = de kapper la peluquera = de kapster el el desfile de modelos = de modeshow el cocinero = de kok la cocinera = de kokkin dominar = tot in de puntjes beheersen el sabor = de smaak el chófer = de chauffeur la coartada = het alibi el portátil = de laptop la valla = het hek el equipo directivo = de directie la investigación = het onderzoek la ambulancia = de ziekenwagen tendido = uitgestrekt el protagonista = de hoofdpersoon