Spaans : Nederlands el fenómeno = het verschijnsel la lluvia = de regen convertirse = veranderen in el desastre natural = de natuurramp producirse = gebeuren violento = gewelddadig el planeta = de planeet la tierra = de aarde el granizo = de hagel la cantidad = de hoeveelheid el campo de cultivo = de landbouwgrond matar = doden el ganado = het vee estropear = verwoesten la cosecha = de oogst destruir = vernietigen el prado = het weiland el bosque = het bos vegetal = plantaardig la víctima = het slachtoffer humano = menselijk causar / ocasionar = veroorzaken fuerte = hevig el desbordamiento = het uit de oevers treden la rotura = het barsten la presa = de stuwdam el movimiento = de beweging la carretera = de snelweg el puente = de brug la desgracia = de ellende la descarga eléctrica = de elektrische ontlading eléctrico = elektrisch el relámpago = de bliksemschicht la corriente = de luchtstroom girar = draaien