Spaans : Nederlands competir con = het opnemen tegen el jugador = de speler la jugadora = de speelster ganar = winnen consecutivo = opeenvolgend mundial = wereld- la etapa juvenil = het begin van de carrière juvenil = jeugd- el campeón = de kampioen la campeona = de kampioene lograr = bereiken el esfuerzo = de krachtsinspanning andaluz = Andalusisch único = enige asiático = Aziatisch obtener = behalen el oro = de gouden medaille caerse = vallen cortarse = zich snijden encontrarse bien = zich goed voelen