Spaans : Nederlands cazar = jagen op el cuerno = de hoorn el felino = de katachtige la pata = de poot la cola = de staart el símbolo = het symbool el fondo = het fonds el hábitat = de habitat excepto = behalve el ADN = het dna el área = het gebied descongelar = ontdooien el anfibio = de amfibie el ser vivo = het levende wezen la pareja = het paartje