Spaans : Nederlands el árbitro = de scheidsrechter suspender = schorsen acordarse de = zich herinneren discutir = discussiëren irse = weggaan político = politiek recibir = ontvangen votar = stemmen la emisora de radio = de radiozender la facultad = de faculteit benéfico = liefdadigheids- prohibido = verboden fundar = oprichten posteriormente = naderhand el productor = de producer el rato libre = het vrije moment la ruptura = de breuk solidario = solidair el tocadiscos = de platenspeler fumar en pipa = pijproken suscribirse a = zich abonneren op el cuidado = de voorzichtigheid tener cuidado = oppassen el escalón = de drempel todos = allemaal