Spaans : Nederlands darse cuenta de que = beseffen dat muerto de hambre = uitgehongerd merendar = laat lunchen bucear = duiken escalar = beklimmen hacer vela = zeilen románico = romaans montar a caballo = paardrijden resplandecer = schitteren bien = goed completamente = volledig duramente = hard fijo = vast libremente = vrij perfecto = perfect profundo = diep rápidamente = snel seriamente = serieus últimamente = de laatste tijd