Spaans : Nederlands el carnet de conducir = het rijbewijs equivocarse = zich vergissen la tecla = de toets ajustar = aanpassen el botón = de knop intermitente = knipperend la operación = de operatie seleccionar = selecteren ordenar = opruimen terminar = afmaken alquilar = huren ir a la universidad = naar de universiteit gaan es de noche = het is donker el contestador = het antwoordapparaat lavarse los dientes = zijn tanden poetsen terminar de = klaar zijn met está nublado = het is bewolkt hay que = je moet tener que = moeten mirar = kijken un montón = een hoop llamar por teléfono = telefoneren llevarse bien con = het goed kunnen vinden met echar la bronca = berispen