Spaans : Nederlands con el fin de = om te con el objeto de = met als doel te la oración = de zin la oración final = de bijzin van doel culto = beschaafd desordenar = in de war maken ilegible = onleesbaar impaciente = ongeduldig inculto = onbeschaafd irresponsable = onverantwoordelijk legible = leesbaar paciente = geduldig el fin = het doel reunido = bijeengebracht enterarse = vernemen / zich op de hoogte stellen reescribir = herschrijven sujetar = ondersteunen deshonesto = oneerlijk / onfatsoenlijk honesto = eerlijk / fatsoenlijk inactivo = inactief infeliz = ongelukkig inseguro = onzeker intolerante = intolerant permanecer = blijven confiado = goedgelovig / zelfverzekerd ilusionado = hoopvol / enthousiast prevenido = gewaarschuwd probable = waarschijnlijk prudente = voorzichtig racional = verstandig soportable = draaglijk a corto plazo = op korte termijn las autoridades = de autoriteiten legal = legaal marginal = marginaal la medida = de maatregel protegido = beschermd tranquilizar = kalmeren colgar = ophangen embarcar = inschepen la especie = de soort dictar = dicteren