Spaans : Nederlands a menudo = vaak aceptar = accepteren la amistad = de vriendschap comportarse = zich gedragen comprender = begrijpen la confianza = het vertrouwen confiar en = vertrouwen de vez en cuando = af en toe la diversión = het vermaak la duda = de twijfel el entusiasmo = het enthousiasme escuchar = luisteren estar de acuerdo = het eens zijn estás = je bent la excusa = het excuus mismo = zelf / zelfde mostrarse = lijken te zijn mutuamente = elkaar perfecto = perfect reaccionar = reageren realista = realistisch ser una tumba = zwijgen als het graf la situación = de situatie el tesoro = de schat el test = de test tratar de = proberen la valoración = de puntentelling