Spaans : Nederlands alfabeto = het alfabet y = en un momento = even cómo = hoe claro = hoor sí = ja tu = je clase = de klas golpear = kloppen letra = de letter mi = mijn quizás = misschien poder = mogen nombre = de naam al lado = naast bien = oké escribir = opschrijven jugar = spellen teléfono = de telefoon número de teléfono = het telefoonnummer esperar = wachten poner = zetten sentarse = zitten