Spaans : Nederlands patata = de aardappel por favor = alstublieft turno = de beurt por ejemplo = bijvoorbeeld lista de compras = de boodschappenlijst día = de dag gracias = dank u euro = de euro peso = het gewicht con gusto = graag gramo = de gram algo = iets queso = de kaas kilo = de kilo señor = meneer señora = mevrouw no = nee nuestro = de ons terminado = op libra = het pond usted = u vendedor = de verkoper decir = zeggen