Spaans : Nederlands empleo = de baan comenzar = beginnen contento/a = blij mucho trabajo = druk comer = eten agradable = gezellig escuchar = horen lástima = jammer poder = kunnen cuarto = kwart tarde = laat ruido = het lawaai bonito = mooi a las = om padres = de ouders perdón = sorry satisfecho/a = tevreden de verdad = toch tv = de tv invitar = uitnodigen vacaciones = de vakantie esta tarde = vanavond fútbol = voetbal temprano = vroeg