Spaans : Nederlands nota = het briefje este/a = deze experiencia = de ervaring bicicleta = de fiets piso = de flat encantar = gek op colgar = hangen ayudar = helpen ayuda = de hulp entrada = de ingang hacer arreglos = klussen vacío = leeg mi = mij número = het nummer recoger = ophalen cuidar = oppassen ordenar = opruimen gato = de poes llave = de sleutel acera = de stoep vuestro/a = uw su = zijn cuidar de = zorgen voor