Spaans : Nederlands tener puesto = aanhebben espantoso/a = afschuwelijk hornear = bakken pelota = de bal especial = bijzonder película = de film bola de carne = de gehaktbal gracioso/a = grappig moderno = hip reclamar = klagen clima = het klimaat crujir = kraken beso (besito) = de kus cero = nul chao = oei porque = omdat relación = de relatie redondo/a = rond podrido = rot hablar por Skype = skypen sabor = de smaak voz = de stem raya = de streep pie = de voet pobre = zielig Suecia = Zweden