Spaans : Nederlands adoptar = adopteren automático/a = automatisch determinar = bepalen existir = bestaan además = bovendien parcialmente = deels uno/a = de ene promedio = gemiddeld abuelo/a = de grootouder matrimonio = het huwelijk amor = de liefde soltero/a = ongetrouwd educación = de opvoeding pareja = de partner convivir = samenwonen divorciarse = scheiden permanentemente = steeds actualmente = tegenwoordig evidente = vanzelfsprekend cambiar = veranderen antiguamente = vroeger ley = de wet cuidado = de zorg