Spaans : Nederlands respiración = de ademhaling movimiento = de beweging estado = de conditie en forma = fit fitness = fitness acostumbrado/a = gewend correr = hardlopen corazón = het hart doméstico/a = huishoudelijk intensivo/a = intensief oportunidad = de kans kickboxing = kickboksen golpear = kloppen faena = de klus físico/a = lichamelijk moderado/a = matig por lo menos = minstens sobrepeso = het overgewicht culpable = schuldig músculo = de spier pasar la aspiradora = stofzuigen subir escaleras = traplopen disminuir = verminderen perseverar = volhouden WC = de wc