Spaans : Nederlands la frecuencia = de frequentie influir = beïnvloeden el ocio = de vrije tijd intensivo = intensief el hueco = het gat hacer un hueco = plaatsmaken a costa de = ten koste van acceder = toetreden acceder a internet = online gaan ganar terreno = terrein winnen los contenidos = de content el contenido = de inhoud educativo = educatief escolar = school- individual = individueel menor = minder la proporción = de verhouding el foro = het forum el artículo = het artikel el perfil = het profiel fundamentalmente = vooral mantener = onderhouden el municipio = de gemeente a menudo = vaak concluir = concluderen dedicar = besteden cara a cara = rechtstreeks breve = kort la pantalla = het beeldscherm el entretenimiento = het vermaak el manco = de eenarmige convencerse de = zich overtuigen van montar = opzetten marginal = achtergesteld las afueras = de buitenwijken la parálisis = de verlamming impedir = verhinderen social = sociaal verdadero = echt la pasión = de passie la dificultad = de moeilijkheid la fuerza = de kracht conseguir = bereiken el objetivo = het doel a pesar de = ondanks las noticias = de nieuwsberichten técnico = technisch la nacionalidad = de nationaliteit el párrafo = de alinea