Spaans : Nederlands derrotar = vernietigen aprender = leren calentar = opwarmen marcar = scoren navegar = varen lesionarse = zich blesseren en forma = in vorm el cansancio = de vermoeidheid el maratón = de marathon el estiramiento = de rekoefening desplazar = verplaatsen el músculo = de spier muscular = spier- la pendiente = de helling el vehículo = het voertuig el gol / el tanto = het doelpunt la pelota = de bal la meta = het doel contrario = tegengesteld el daño = de schade oponer resistencia = weerstand bieden la resistencia = de weerstand la victoria = de overwinning duro = hard el adversario = de tegenstander sustituir = vervangen previamente = van tevoren cristalino = glashelder el tobillo = de enkel la roca = de rots la embarcación = het vaartuig