Spaans : Nederlands la emisión = de uitzending la frontera = de grens el favorito = de lieveling el ala delta = de deltavleugel la piragua = de kano innumerable = ontelbaar el incidente = het incident colgar = hangen la pared = de wand la altura = de hoogte malherido = zwaargewond a cambio de = in ruil voor terrible = verschrikkelijk la memoria = het geheugen el esfuerzo = de inspanning la calidad = de kwaliteit el realizador = de filmmaker superar = overwinnen la expresión = de uitdrukking escalar = beklimmen dar esquinazo a = ontlopen la afición = de liefhebberij convivir = samenleven la tienda = de tent el saco = de slaapzak / de zak la niebla = de nevel el equilibrio = het evenwicht el campamento = het kamp encender = aansteken la hoguera = het kampvuur el riesgo = het risico el BMX = de BMX el barranquismo = het canyoning el snowboard = het snowboarden el rafting = het raften bodyboard = het bodyboarden la falta = het gebrek la rapidez = de snelheid el vértigo = de duizeling la adrenalina = de adrenaline los reflejos = de reflexen la protección = de bescherming consistir en = bestaan uit la curva = de bocht derrapar = slippen tumbar = vallen el golpe = de klap la predicción = de voorspelling el futuro = de toekomst suceder = gebeuren la anécdota = de anekdote coherente = samenhangend