Spaans : Nederlands la tecnología = de technologie la bombilla = de gloeilamp el submarino = de duikboot el antibiótico = het antibioticum la imprenta = de drukpers el motor = de motor el automóvil = de auto el neumático = de luchtband la radiactividad = de radioactiviteit el sistema = het systeem la lectura = het lezen el ciego = de blinde el químico = de scheikundige la microbiología = de microbiologie polaco = Pools el inventor = de uitvinder contribuir = bijdragen contemporáneo = hedendaags el herrero = de smid especializar = zich specialiseren la impresión = het drukken la biblia = de bijbel la guía = de gids constituir = samenstellen la hoja = het blad el marino = de zeeman el militar = de militair el teniente = de luitenant el teniente de navío = de luitenant-ter-zee la armada = de vloot el escocés = Schots descubrir = ontdekken la penicilina = de penicilline la infección = de ontsteking provocar = teweegbrengen la ceguera = de blindheid irreversible = onomkeerbaar la electricidad = de elektriciteit las matemáticas = de wiskunde el matemático = de wiskundige la psicología = de psychologie la física = de natuurkunde la medicina = de geneeskunde las ciencias = de exacte wetenschappen el jefe = de baas la jefa = de bazin el acelerador = de versneller la partícula = het deeltje prestigioso = prestigieus humilde = eenvoudig / nederig minero = mijnbouw- galés = Welsh interesarse = zich interesseren apartarse = zich verwijderen atraer = trekken el discípulo = de volgeling la investigación = het onderzoek contagiar = besmetten voluntariamente = vrijwillig el virus = het virus la jubilación = de pensionering la fama = de roem el reconocimiento = de erkenning la clase social = de sociale klasse intenso = intens el microorganismo = het micro-organisme preservar = behoeden el abandono = het verlaten