Spaans : Nederlands enfadarse con = boos worden op provocador = uitdagend pacífico = vredelievend diplomático = diplomatiek imitar = imiteren el relaciones públicas = de voorlichter el gemelo = de tweeling la biología = de biologie condicionar = conditioneren el rasgo = het kenmerk orgulloso = trots complementar = aanvullen la compañía = het gezelschap nacer = geboren worden el clon = de kloon el laboratorio = het laboratorium la adopción = de adoptie la uña = de nagel la coincidencia = de overeenkomst / het toeval la ficción = de fictie revolucionar = een revolutie teweegbrengen el alcance = het bereik el coste = de kosten el aeropuerto = de luchthaven la atmósfera = de atmosfeer contaminante = vervuilend en conclusión = samengevat contrastar = vergelijken resumir = samenvatten el punto de vista = het gezichtspunt