Spaans : Nederlands la plancha = de strijkbout el frigorífico = de koelkast freír = bakken procurar = ervoor zorgen dat el mango = de steel el cajón = de lade escurrir = uitwringen enfriar = afkoelen el incendio = de brand la limpieza = de schoonmaak el cubo = de emmer el interruptor = de lichtschakelaar el cojín = het kussentje el jarrón = de vaas la sábana = het laken el ventilador = de ventilator las antigüedades = het antiek la cortina = het gordijn el grifo = de kraan la almohada = het hoofdkussen el sofá = de bank fresco = fris decorar = decoreren la ventana = het raam el contenedor = de container depositar = deponeren el desecho = het afval despertar = wakker maken el administrativo = de administratief medewerker ambiental = milieu- el casco histórico = het historisch centrum agobiante = benauwend economizar = zuinig omgaan met ampliar = uitbreiden la caravana = de caravan el camping = de camping la parcela = het perceel la mobil home = de stacaravan el desagüe = de afwatering el vigilante = de bewaker el ATS = de verpleegkundige el complejo = het complex pillar = grijpen el experto = de expert el bricolaje = het doe-het-zelven las pertenencias = de bezittingen