Spaans : Nederlands la mudanza = de verhuizing pintar = verven la alfombra = het tapijt el tinte = de stomerij / de verfstof ahorrar = sparen alquilar = huren / verhuren la peli = de film el sueño = de slaap / de droom el correo = de post la carretera = de grote weg la orilla = de oever el pincho = het borrelhapje la multa = de boete la carga = de last el atasco = de file la estantería = de stellingkast echar una mano = een handje helpen húmedo = vochtig bello = mooi confiar = vertrouwen aburrir = vervelen el sufijo = het achtervoegsel la batidora = de mixer la taladradora = de boormachine matar = doden estacionar / aparcar = parkeren pobre = arm depilar = ontharen congelar = bevriezen el rival = de rivaal el nerviosismo = de zenuwachtigheid