Spaans : Nederlands la alerta = het alarm la humanidad = de mensheid cepillarse los dientes = tanden poetsen regar = water geven el césped = het gazon la manguera = de tuinslang el medioambiente = het milieu la tala = het kappen indiscriminado = ongeselecteerd garantizar = garanderen futuro = toekomstig la responsabilidad = de verantwoordelijkheid el parque = het park el vidrio = het glas fabricar = fabriceren enjabonar = inzepen contaminar = vervuilen destruir = vernietigen sobrevivir = overleven desperdiciar / malgastar = verspillen inundar = overstromen conservar = bewaren combatir = bestrijden la iniciativa = het initiatief auspiciar = steunen concienciar = bewust maken el dato = het gegeven la muralla = de muur secundar = ondersteunen el secretario = de secretaris el hecho = het feit sumarse a = zich aansluiten bij poner de relieve = benadrukken el consenso = de consensus pretender = willen presionar = druk uitoefenen el líder = de leider pactar = overeenkomen decidido = doorslaggevend el acto = de daad cotidiano = dagelijks el termostato = de thermostaat la sensibilización = de bewustwording la celebración = de viering el gas = het gas la industria = de industrie