Spaans : Nederlands la sequía = de droogte atmosférico = lucht- la tormenta = de storm / het onweer eléctrico = elektrisch la tormenta eléctrica = het onweer la epidemia = de epidemie la avalancha = de lawine el seísmo = de aardbeving el tsunami = de tsunami la erupción = de uitbarsting afectar = treffen la materia = de materie la molestia = de overlast extenderse = zich uitbreiden el temblor = de trilling el terreno = het terrein meteorológico = weers- caracterizar = kenmerken la presencia = de aanwezigheid el rayo = de straal / de bliksemflits sonoro = geluids- el trueno = de donder prolongar = verlengen cálido = warm la ocupación = de bezetting el desbordamiento = het buiten de oevers treden torrencial = onstuimig en negrita = vetgedrukt la explosión = de ontploffing la ceniza = de as la lava = de lava el pánico = de paniek cercano = dichtbijzijnd alejado = ver verwijderd van desaparecer = verdwijnen la consecuencia = het gevolg el aguacero = de plensbui damnificado = getroffen socorrer = hulp verlenen aan la víctima = het slachtoffer asegurar = verzekeren la crisis = de crisis la hambruna = de hongersnood confirmar = bevestigen el cólera = de cholera la insalubridad = de ongezondheid la malnutrición = de ondervoeding el hacinamiento = de opeenhoping el desplazado = de ontheemde la ONG = de ngo la intensidad = de hevigheid la catástrofe = de ramp dramático = dramatisch la escena = de situatie huir / refugiarse = vluchten la guerra = de oorlog el hambre = de honger reconstruir = herbouwen