Spaans : Nederlands la flora = de flora la fauna = de fauna la obsesión = de obsessie ineludible = onontkoombaar anhelar = hunkeren naar estrechar = vernauwen el lazo = de band estrechar los lazos = de banden aanhalen el rugido = het gebrul el león marino = de zeeleeuw reciente = recent alterar = veranderen gozar = genieten van el territorio = het territorium el archipiélago = de archipel el islote = het eilandje el patrimonio = het erfgoed la reserva = het reservaat / de reservering la biosfera = de biosfeer terrestre = op het land la alta mar = de volle zee asignar = aanwijzen la superficie = het oppervlak la profundidad = de diepte fascinante = fascinerend el arrecife = het rif el coral = het koraal el lobo marino = de zeerob la ballena = de walvis el tiburón = de haai la raya = de rog el pez espada = de zwaardvis la tortuga = de schildpad la iguana = de leguaan el esplendor = de pracht la temperatura = de temperatuur el grado = de graad centígrado = Celsius tener presente que = in gedachten houden dat desatarse = losbarsten el impermeable = de regenjas regular = reguleren el paraje = het oord