Spaans : Nederlands las relaciones = de relaties gritar = schreeuwen aguantar = verdragen criticar = bekritiseren calmarse = rustig worden disculparse = excuses aanbieden vengarse de = wraak nemen op reírse = lachen el ratón = de muis el mafioso = de maffioso el enemigo = de vijand asesinar = vermoorden relacionarse con = omgaan met la siesta = de siësta el tapón = de dop / het oordopje colarse = voordringen agresivo = agressief protestar = protesteren hacer valer = doen gelden reaccionar = reageren el razonamiento = de redenering