Spaans : Nederlands autoafirmarse = voor jezelf opkomen agredir = aanvallen echar la culpa = de schuld geven la asertividad = de assertiviteit la habilidad = de vaardigheid firme = ferm honesto = oprecht deprimirse = gedeprimeerd raken presumir de = zich beroemen op retrasarse = laat komen desconsiderado = tactloos el asco = de afkeer es un asco = is een smeerboel el cuarto de estar = de woonkamer