Spaans : Nederlands la mariposa = de vlinder inevitable = onvermijdelijk goloso = lekkerbek vulgar = gewoon evocar = oproepen voraz = gulzig la abeja = de bij pertinaz = hardnekkig la calva = de kale kruin la infancia = de kindertijd dorado = gouden la inocencia = de onschuld el hastío = de walging el estío = de zomer aborrecer = verfoeien raudo = onstuimig perseguir = achtervolgen posarse = neerkomen el párpado = het ooglid yerto = verstijfd labrar = bewerken brillar = stralen revoltoso = oproerig la cualidad = de eigenschap el lince = de lynx el ganso = de gans la gallina = de kip el gusano = de worm la víbora = de adder vil = gemeen despreciable = verachtelijk la marmota = de marmot el toro = de stier el cerdo = het varken el águila = de adelaar el elefante = de olifant fiel = trouw el andén = het perron el tintero = de inktpot descalzo = met blote voeten el desahucio = de uitzetting el estropajo = de schuurspons el asperón = de slijpsteen regordete = mollig desvelarse = klaarwakker zijn el mozo = de jongeman la mocita = de jongedame dormir al sereno = in de openlucht slapen el golpe de fortuna = de gelukstreffer el talante = het humeur dormir = in slaap wiegen la pena = het verdriet el pecho = de borst fallecer = overlijden el contable = de boekhouder el verso = het vers el recital = de voordracht escenificar = als theater opvoeren imparable = onbedwingbaar el adulto = de volwassene rimar = rijmen la poetisa = de dichteres la evolución = de ontwikkeling