Spaans : Nederlands la alegría = de vreugde la tristeza = het verdriet ¡Me hace mucha ilusión! = Ik verheug me erop! ¡Estupendo! = Geweldig! ¡Qué lástima! = Wat jammer! ¡Qué mala suerte! = Wat een pech! la traducción = de vertaling el recado = de boodschap equivocarse = zich vergissen el contestador automático = het antwoordapparaat contestar al teléfono = de telefoon opnemen la instrucción = de instructie