lunes martes miércoles
jueves viernes sábado
domingo los días los meses
las estaciones la primavera el verano
el otoño el invierno enero
febrero marzo abril
mayo junio julio
agosto septiembre octubre
noviembre diciembre Soy alegre
alegre cariñoso / cariñosa vago / vaga
divertido / divertida inteligente estudioso / estudiosa
woensdag dinsdag maandag
zaterdag vrijdag donderdag
de maanden dagen zondag
de zomer de lente de seizoenen
januari de winter de herfst
april maart februari
juli juni mei
oktober september augustus
Ik ben vrolijk december november
lui / slampamper lief / aanhankelijk vrolijk / opgewekt
leergierig / ijverig goed verstand grappig / leuk
él es divertido ella es divertida grande

Esta un poco grande, no lo cree?

pequeño hace frío hace calor
viejo joven delgado
gordo día lento
rápido alto

largo / alto

bajo
el pelo corto el pelo largo negro
blanco mucho poco
abrir

inaugurar / abrir

cerrar sentarse
ponerse de pie no

no

groot

Ze zijn een beetje groot, of niet?

zij is leuk hij is leuk
het is warm het is koud klein
dun jong oud
langzaam dag dik
kort lang

lang

snel
zwart lang haar kort haar
weinig veel wit
gaan zitten sluiten openen

openen

nee

niet / nee

ja gaan staan