Spaans : Nederlands ¡[Feliz cumpleaños]! = [gefeliciteerd]! el cumpleaños = de verjaardag cumplir = vieren el año = het jaar tener ganas de = zin hebben in / om domingo = zondag hoy = vandaag luego = later / daarna algo = iets ¡[De verdad]! = [echt waar]! el coche = de auto el partido = de wedstrijd La entrada = de entrée / de ingang / de hal el salón = de woonkamer la cocina = de keuken el comedor = de eetkamer el despacho = het kantoor el dormitorio = de slaapkamer el cuarto de invitados = de logeerkamer el ático = de zolder la terraza = het terras el cuarto de baño = de badkamer los servicios = het toilet la planta baja = de begane grond la primera planta = de eerste verdieping la televisión = de televisie el ordenador = de computer Esta un poco [grande], no lo cree? = Ze zijn een beetje [groot], of niet? pequeño = klein lindo / [bonito] = mooi negro = zwart blanco = wit azul = blauw rosa = roze rojo = rood lila = lila verde = groen naranja = oranje [incluso] / aun = zelfs prohibido = verboden